Paulus ervaart een diepe pijn, wanneer hij aan zijn volk – het volk Israël – denkt (Romeinen 9,2). Hij gunt hen zozeer dat diepe geluk dat ook zij, net zoals hijzelf, in Jezus hun Redder en Heer mogen ontdekken…, maar er ligt helaas een sluier op hun hart (2 Kor. 3,14). Paulus heeft er alles voor over om zijn volksgenoten met de Here Jezus Christus bekend te maken. Al zijn zendingswerk staat zelfs in het teken van Israël (Romeinen 11,13-14)! Hij hoopt dat zijn volksgenoten jaloers zullen worden op al die Grieken en Romeinen die christen zijn geworden… en dat ook zij bij de Here Jezus zullen willen horen…

Kunt u dat verlangen van Paulus meemaken? Gaat Israël u ook aan het hart, zoals bij Paulus? Soms voelt die relatie tussen ‘kerk en Israël’ misschien wat onwennig, wat vreemd, wat kunstmatig en misschien ook wel als een soort verplichting… Hoe zit dat toch? Misschien dat de gelijkenis van ‘de verloren zoon’ (Lukas 15,11-32) ons hierbij kan helpen:

De gelijkenis van de verloren zoon vertelt ons over twee zonen en hun vader. Nu kan men de gelijkenis zo uitleggen: de oudste zoon is een kerklid dat een kerkbank heeft versleten en jarenlang aan de Kerkbalans heeft gedaan. De jongste zoon is een ‘nieuwkomer’ die zomaar het huis van de Vader mag binnenstappen, zonder er ook maar iets voor te hoeven doen. Kan dat zomaar allemaal? ‘Gaat het allemaal zo gemakkelijk bij de hemelse Vader?’

Je zou de gelijkenis ook anders kunnen lezen: de oudste zoon, dat is Israël. En de jongste zoon, dat is de christelijke kerk. Die oudste zoon werkt hard voor zijn vader, maar er is wel iets mis in zijn relatie tot de vader. Hij gooit het er aan het einde van de gelijkenis uit: ‘ik heb altijd voor u gewerkt, nooit een gebod overtreden en toch nog geen bokje van u gekregen om te slachten en feest te vieren (vers 32)!’

Paulus benoemt dit ook: het volk Israël heeft grote ijver voor God (Romeinen 10,2)! Die jongste zoon staat voor de christenen uit de volken: zij hebben eeuwenlang vertier gezocht en los van God geleefd, maar sinds Pinksteren komen er steeds meer verloren zonen tot bezinning en zoeken zij de weg naar huis terug om thuis te komen bij de vader. Wij christenen zijn als jongste zoon, die verloren was, maar door de vader met vreugde in zijn huis is onthaald.

Nu hebben wij in de uitleg van deze gelijkenis vaak stilgestaan bij het kille gedrag van die oudste zoon. Moest die oudste zoon niet blij zijn met de thuiskomst van zijn jongere broertje? Maar we kunnen het ook omdraaien en de vraag stellen: als wij die jongste broer zijn, die ondanks al zijn zelf veroorzaakte armoede en hulpeloosheid thuis mocht komen…, hebben wij dan wel erg gehad in die oudste broer die buiten aan het werk was? Of hebben wij onze tas in de gang gezet en zijn wij gelijk aan tafel gegaan om feest te vieren en hebben wij niet eens gemerkt dat de stoel van de oudste zoon nog leeg was?

Het is voor Paulus een groot verdriet: de vader zit slechts met één kind aan tafel, terwijl zijn andere zoon buiten nog steeds hard aan het werken is om zijn vader te behagen. Waarom doet dat zo’n pijn bij Paulus? Nu, Paulus voelde de pijn van de hemelse Vader. Paulus zag dat het tussen die oudste broer en zijn vader helemaal niet goed was. Wat een verdriet had de vader ervan dat die oudste zoon niet binnenkwam, maar gewoon doorging met hard werken voor zijn vader. En wat vond die vader het waarschijnlijk ook vreselijk dat die jongste zoon en die oudste zoon niet bij elkaar aan de feesttafel zaten! Voelen wij als jongste zoon de pijn van onze hemelse Vader?

Wat moeten wij dan met onze oudste broeder, broeder Israël? Nu, die jongste zoon had zelf naar buiten kunnen gaan om die oudste broer gedag te zeggen, maar hij laat blijkbaar zijn vader lopen, terwijl hij aan de rijke feesttafel zit met brood en wijn. Zoeken wij het contact met onze oudste broer Israël? Werken wij aan deze relatie? Wij zijn immers ‘het nakomertje’, hij is de eerstgeborene (Exodus 4,22)!

En laten wij dan ook onze oudere broer Israël in het gebed tot de hemelse Vader ter sprake brengen. Je kunt tegenover je hemelse Vader niet over je oudste broer zwijgen, alsof die niet bestaat. De hemelse Vader heeft ons beiden lief. Evenveel lief. Ook al liep de relatie met beiden – ja met beiden – zo moeizaam.

God wil Zijn twee kinderen niet los zien. Met de christelijke Kerk gaat God een bijzondere weg, door diepten heen. En met Israël gaat Hij een bijzondere weg, door de diepten heen. De beloften voor Israël zijn nog niet uitgeput, er staat Israël nog wat te wachten (Romeinen 11). Laten wij dan meebidden, meehopen en meeverlangen voor Israël, want de vreugde van het ene kind is tegelijkertijd de vreugde voor het andere kind. Zo gaat het in een gezin!
ds. Eddy de Kruijf