Puer natus in Bethlehem. Dit lied is een van de vele middeleeuwse kerstliederen. Het is in verschillende versies overgeleverd, zowel qua tekst als melodie. Van oorsprong is het een gregoriaanse hymne die in het begin van de veertiende eeuw vanaf eerste kerstdag tot aan drieko-ningen gezongen werd. 

De Duitse bewerking van het lied is afkomstig van Heinrich von Laufenberg (1390-1460) uit Freiburg in het Duitse Breisgau. In 1429 schreef hij een grote medische ver-handeling Versehung des Leibs, als een gedicht, bedoeld om te zingen. Zingen kon immers goed helpen om woorden in te prenten door hen die niet goed konden lezen en schrijven. Zijn gedicht werd pas in 1491 uitgegeven.

In 1439 schreef Von Laufenberg het lied Puer natus ist uns gar schon. Een titel waarin twee talen vermengd worden: Latijn en Duits. Vanaf 900 ontstaan dit soort liederen waarin het Latijn en de volkstaal naast elkaar voorkomen. Zo ook in Dulci jubilo, nun singet und seit froh in het Latijn en het Duits en Omnes nu laet ons Gode loven in het Latijn en het Nederlands. Van de Latijnse versie die veertien strofen bevatte dichtte Heinrich von Laufenberg in het Duits dertien strofen. Daarin beschrijft hij de geboorte van Jezus in Bethlehems stal. De kribbe, wijzen uit het Oosten, vrolijkheid en de lofzang ontbreken niet, de os en de ezel wel.

Melodie

De bekendste Duitse variant op de gregoriaanse melodie verscheen in 1543 als Ein kind geborn zu Bethlehem in het zogenoemde Klugsche Gesangbuch van Joseph Klug (1490-1552). Klug was een drukker ten tijde van de Reformatie. Twee jaar later komen we de melodie ook tegen in het Gesangbuch van Valentin Bapst. In die periode verschenen verschillende edities van het lied. De niet-gregoriaanse melodie komen we tegen in 1553. Deze is van de Duitse lutherse theoloog, pedagoog en hymnoloog Lucas Lossius (1508-1582).

Liedboek voor de kerken

Toen besloten werd dit lied op te nemen in het Liedboek voor de kerken ontstond een bewerking naar het voorbeeld van de Friese vertaling van Pieter Jelle Troelstra (1860-1930), de politicus die wordt beschouwd als de man die aan de wieg stond van de sociaaldemocratie in ons land. Uit deze bewerking ontstond de tekst die Benard Smilde (1922-2014) dichtte en die werd opgenomen in het Liedboek voor de kerken (1973) onder Gezang 152. Als Lied 515 verscheen het in het Liedboek zingen en bidden in huis en kerk (2013).  Smilde beschrijft kort en bondig de geboorte, de verering en de tederheid.

Wiens heerschappij geen einde kent, Geen einde kent,
Hij daalde neer om onze ellend.
Halleluja, halleluja!
De koningen uit het Oostenland
het Oostenland,
vereerden Hem met offerand.
Halleluja, halleluja!
Die knielden daar in ootmoed neer, in ootmoed neer,
voor ’t kleine kind, hun God en Heer. Halleluja, halleluja!
Die zich zo diep vernederd heeft, vernederd heeft
Hij is het die ons ’t leven geeft!
Halleluja, halleluja!
Hij maakt ons door zijn armoe rijk, zijn armoe rijk,
en brengt ons in het hemelrijk.
Halleluja, halleluja!
Zo zinge al wat zingen mag,
wat zingen mag:
den Heer zij dank op deze dag.
Halleluja, halleluja!

In de strofen vijf en zes horen we Maarten Luther aan het woord wanneer hij het over de ‘vrolijke ruil’ heeft:

Die zich zo diep vernederd heeft, Hij is het die ons ’t leven geeft. Hij maakt ons door zijn armoe rijk en brengt ons in het hemelrijk.

Ten slotte wordt de Heer zingend dank gezegd:

Zo zinge al wat zingen mag: De Heer zij dank op deze dag.

Iedere strofe sluit af met de uitroep: Halleluja!

Composities

Tal van componisten hebben door de eeuwen heen bewerkingen van het lied gemaakt, zoals Bartholomäus Gesius, Michael Praetorius, Melchior Vulpius, Johann Hermann Schein, Hans Leo Hassler en Samuel Scheidt. Johann Sebastian Bach componeerde in 1724 van het lied de Cantate Sie werden aus Saba alle kommen (BWV 65).

Bron: Muziek &  Liturgie-jaargang 87 nr. 5 | A.M. Alblas