Zingen met Pinksteren
Samen in de Naam van Jezus
heffen wij een loflied aan,
want de Geest spreekt alle talen
en doet ons elkaar verstaan
samen bidden, samen zoeken
naar het plan van onze Heer,
samen zingen en getuigen
samen leven tot zijn eer.
(Opwekking 167)
Loof overal, loof al wat adem heeft,
loof God die leeft
De kerk zingt schoon en luid
het lied dat niemand stuit
het hart is ’t bovenal
dat eeuwig zingen zal
Loof overal, loof al wat adem heeft,
Loof God die leeft!

Liedboek 867

Twee liederen waar de roep van uit gaat om samen te zingen. Misschien is dat wel Pinksteren: mensen die als individuen samengevoegd zijn om te zingen tot Gods eer. Er zit, zo dacht ik onlangs, wel een mooie beweging in de Bijbel. Van het collectief van Israël, het geheel van Gods volk, spitst Jezus de bevrijdende woorden en daden van Zijn Vader toe op de individuele mens. Maar daarmee ontstaat geen wereld van enkelingen maar juist weer een nieuw collectief: de gemeente van Jezus Christus. Het gaat om het gemeenschappelijke. Das gemeinsames Leben zou Bonhoeffer zeggen. In die zin hebben we de kerk ook nodig om te geloven. Geloven doe je samen. En van samen zingen gaat veel bemoediging uit. In het Liedboek 2013, zingen en bidden in huis en kerk, is het aantal Pinksterliederen verdubbeld ten opzichte van het vorige. Dat is niet zo vreemd voor wie bedenkt dat er steeds meer aandacht is gekomen voor het werk van de Heilige Geest. Meteen onder het eerste Pinksterlied (pag. 1139) staat een prachtig gedicht van Bernardus van Clairvaux:

Kom Heilige Geest,
spreek altijd tot mijn hart.
En als Gij toch zwijgt,
laat dan uw zwijgen tot mij spreken.
Want zonder U loop ik gevaar
mijn eigen inzicht te volgen
en het te verwarren met wat Gij mij leren wilt.

Een gedicht waarin veel schuilt. De Heilige Geest, Gods stem in ons hart kan ook wel eens zwijgen. Maar zelfs zwijgend is er een spreken, voor wie het verstaat! Het vervolg maakt duidelijk waarvoor we die Geest nodig hebben: om aan ons verstand de weg te wijzen die we mogen gaan. Meteen het volgende lied 669 is een klassieker in die zin dat het al in de liturgie van de Middeleeuwen voorkomt als tekst. Veni Sancte Spiritus, kom Heilige Geest.

In een aantal coupletten wordt het werk van de Geest beschreven: troost, licht, gaven, zachtheid die de ziel geneest, lafenis voor het hart dat lijdt, rust die alle onrust stilt; geheime gloed. Het visioen uit Ezechiel 37 en de herschepping van de aarde die zo prachtig beschreven wordt in Psalm 104, komen in het werk van de Geest, bezongen in dit lied, naar boven. De Heilige Geest wordt vaak als abstract ervaren: mensen vinden het moeilijk om nu precies te zeggen wat de Geest doet. Wie alle liederen uit het Liedboek leest wordt aardig op weg gezet als het gaat om het werk van de Geest. Lied 671 is van de hand van Maarten Luther. In dit lied wordt duidelijk dat de Geest altijd naar Christus verwijst: Geef kostbaar licht, ons uw helderheid, dat wij Christus kennen voor altijd. Dit lied is ook een mooie aanvulling op het stoere Lutherlied: een vaste burcht. Luthers tijd was een tijd van geloofsvervolging. Zijn lied: een vaste burcht heb ik altijd heldhaftig en strijdbaar gevonden. In dit rustiger Lied 671, belijdt Luther in couplet 4 zijn afhankelijkheid en ook de bron van zijn moed: “Geef, hoogste Trooster in alle nood, dat wij nimmer vrezen schande of dood, dat wij niet versagen ten laatste dage, als de vijand zelf ons aan komt klagen, kyrieleis. Van de letterlijke vijand uit zijn dagen verschuift het lied ook naar die andere vijand, de boze, die ons van God wil verwijderen; ook in onze gedachten als we van onszelf denken niet geliefd te zijn door God.

Een nieuwkomer in dit Liedboek is Lied 676, van de Zweedse dichter A. Frostenson. Hij speelt met de taal en dat geeft het lied iets lichts mee.

1. De wind, wij zien hem niet,
zijn stem klinkt in ons oor,
een briesje of een storm
die alle rust verstoort.
2. De Geest, wij zien haar niet,
toch horen we haar stem
die goede woorden spreekt
als ik verdrietig ben.
3. De wind, wij zien hem niet,
maar toch trekt hij zijn spoor:
de golven in de zee,
het lange gras buigt door.
4. De Geest, wij zien haar niet,
maar zij waait alles schoon
ik ben weer opgelucht,
als na een enge droom.
5. Vanuit de overkant,
een land dat niemand ziet,
ontvangen wij een kracht,
de Geest die uitzicht biedt

Vanuit de overkant, een land dat niemand ziet, ontvangen wij een kracht, de Geest die uitzicht biedt. Wind, Geest en adem zijn in het Hebreeuws hetzelfde woord: Ruach. Dat is een vrouwelijk woord in het Hebreeuws. De eerste 4 coupletten wisselen af met wind en Geest maar ook met hem en haar. God wordt in de Bijbel voorgesteld als Vader, ook onze Heer Jezus spreekt over de Vader, maar er komen ook vrouwelijke, moederlijke beelden van God voor. De afwisseling tussen hem en haar geeft dit lied een mooie balans. Het laatste couplet geeft weer dat wij de Geest vanaf de andere kant ontvangen, het geeft ook aan dat het deze Geest is die ons de dromen van God doet dromen, het uitzicht. Zoals Mozes het beloofde land mocht zien. Met/door de Geest zijn we op weg naar Gods toekomst.

Helaas kunnen niet alle liederen hier besproken worden. Ik vraag nog aandacht voor het bekende lied van Jaap Zijlstra, lied 687.

1. Wij leven van de wind
die aanrukt uit den hoge
en heel het huis vervult
waar knieen zijn gebogen,
die doordringt in het hart,
in de verborgen hof,
en uitbreekt in een lied
en opstijgt God ten lof.
2. Wij delen in het vuur
dat neerstrijkt op de hoofden,
de vonk die overspringt
op allen die geloven.
Vuurvogel van de vloed,
duif boven de Jordaan,
versterk in ons de gloed,
wakker het feestvuur aan.
3. Wij teren op het woord,
het brood van God gegeven,
dat mededeelzaam is
en kracht geeft en nieuw leven.
Dus zegt en zingt het voort,
geeft uit met gulle hand
dit manna voor elk hart,
dit voedsel voor elk land.

Op een gegeven moment trof mij de bewegingen die in dit lied zitten. Je zou er op mee kunnen bewegen. De wind rukt aan uit de hoge. Ga er maar ontvangend bij op je tenen staan met de armen omhoog. Vervolgens maak je een wijd gebaar want die Geestwind vult heel het huis. Ieder huis? Nee dat huis waar de knieën zijn gebogen. Het is een goed gebaar om te knielen voor God.

In de kerk zijn we dat niet zo gewend, thuis kun je het misschien wel even proberen. En daar dringt die Geest dan overal doorheen, in de verborgenheid van je hart. Om vervolgens weer uit te breken in een lied en weer op te stijgen naar boven!

Maar bij die beweging van boven naar beneden en van beneden naar boven blijft het niet. In couplet 2 en 3 wordt de beweging horizontaler en alomvattender: wij(!) delen in het vuur. Je ziet de Geest als het ware van de een naar de ander gaan. We delen het geloof met elkaar. Het laatste couplet reikt nog verder dan die gelovige gemeente die ervan mag uitdelen aan ieder mensenkind. Ook daarvoor is die Geest ons gegeven. Ik wens iedereen een heel goede Pinksteren toe met een lied in het hart!

Ds Dora Hoekstra-Olthof.