Jezus zoekt de grenzen op. Hij is onderweg naar Jeruzalem en trekt door de gebieden van Galilea en Samaria. Onderweg ontmoet Hij een tiental melaatse mensen. Bij Samaritanen moest je uit de buurt blijven, vanwege hun half-heidense afkomst. Bij melaatsen moest je ook uit te buurt blijven, vanwege de ziekte die hen onrein maakte.

Zoveel wegen die naar Jeruzalem leiden, zoveel plaatsen die je kunt bezoeken… maar precies hier moet Jezus blijkbaar zijn. Een vreemd toeval? Of zou Jezus bewust dit hebben opgezocht… om ons ook over grenzen te helpen om op mensen af te stappen? Een tiental melaatse mensen, waarschijnlijk met doeken en lappen over hun aangetaste huid. Doeken die doen denken aan de doeken waarin mensen worden gekleed na hun overlijden. Tien melaatse mensen die eigenlijk levend dood zijn. Het echte leven ging
aan deze tien mensen voorbij. Totdat Jezus voorbij ging… De tien melaatsen roepen tot Jezus. ‘Jezus, Meester! Ontferm u over ons!’ En Jezus geneest.

Van negen van de tien ex-patiënten horen wij niets meer. Zo gaat dat ook vaak in een ziekenhuis met de medepatiënten met wie je bent opgetrokken. Maar één ex-melaatse komen wij nog tegen. Rein, genezen, is hij op pad gegaan om Jezus weer te zoeken. Hij komt, zingend en juichend aangelopen, zo
vertelt Lukas. En als hij bij Jezus is aangekomen valt hij op zijn knieën voor Jezus neer.
In aanbidding. In overgave. Hij maakt zichzelf klein en hij maakt God in Christus groot. Hij dankte Hem, zo schrijft Lukas. Dankdag aan Jezus’ voeten.

Jezus zegt tegen hem: ‘ga heen, je geloof heeft je gered (vers 19)!’. Opnieuw wordt hij erop uit gezonden. De man mag opnieuw op weg gaan. Als nieuw op weg gaan. Lichamelijk gereinigd en geestelijk gered. Met lichaam en ziel een nieuw leven tegemoet. Ik denk dat wij er niet aan hoeven te twijfelen dat alle tien melaatse personen geweldig blij zijn geweest met hun genezing. Maar van negen van de tien genezen personen horen wij niets meer. Hoe kan dat? Zou het misschien zo zijn geweest, zoals je soms bij kinderen
ziet als zij jarig zijn? Het jongetje is zo gespannen als er wordt aangebeld, want ‘daar komt het cadeau aan’ (en de visite)! Vervolgens neemt hij neemt het cadeau uit handen en vergeet helemaal dankjewel te zeggen.

Er is even geen plaats voor diepere gevoelens van dankbaarheid, want hij is zo in beslag genomen door wat hij wilde hebben… Zou dit het misschien zijn bij die melaatsen? Zo in beslag genomen door wat men wilde
ontvangen, bezitten, bereiken, ervaren…, dat er voor niets anders meer plaats is in het hoofd en in het hart? Een confronterende spiegel: het zou zo intens jammer zijn als onze ontvangen zegeningen ons niet brengen
tot dankbaarheid… maar dat wij vooral bezig zijn met het hebben, het niet willen verliezen of nog meer willen krijgen. Het kan ook zijn dat de nood de negen melaatsen wel op dat moment heeft leren bidden
en roepen, maar dat zij na genezing vervolgens weer gewoon verder gingen. De grootste crises hoeven niet per definitie harten week te maken. Je binnenste kan nog altijd op slot blijven…

Wat hebben al de zegeningen van het afgelopen jaar met u en mij gedaan? Ben ik erdoor verwonderd geraakt dat God elke dag weer voedsel en drank, onderdak en kleding, werk of sociale voorzieningen heeft geschonken? Heeft dit wonder mijn leven verdiept, gevormd? Of heb ik misschien elke dag gebeden
om het dagelijks brood, maar er verder niet over nagedacht? Groeide er diepe dankbaarheid op de bodem van mijn ziel? Die ene ex-melaatse zag meer dan zijn gezond geworden lichaam: hij stond oog in oog
met zijn Redder. Hij ervoer meer dan een geluksgevoel: hij had de oorsprong, het doel en de zin van zijn bestaan gevonden. Brengen al de ontvangen zegeningen mij aan de voeten van de Heere Jezus? Ik heb het
immers aan Hem te danken: ik heb het aan Zijn lijden en sterven te danken dat ik dag aan dag mag leven van de zorg van mijn hemelse Vader. Ik heb het aan Hem te danken dat ik mij niet hoef te verschuilen voor God,
maar dat de hemelse Vader met Zijn armen wijd verloren zonen en dochters wil ontvangen, wil kleden en van Zijn vreugde wil laten genieten. Ik heb het aan Hem te danken dat ik niet bezorgd hoeft te zijn voor de dag van morgen.

Als je niet voor Jezus op de knieën valt, dan mis je de allergrootste zegen van God. Dan voel je je misschien wel gezegend met alle rijkdommen die je hebt…, maar wat ben je arm… Maar geknield voor Jezus mag je je
de rijkste mens op aarde weten. Heer, ik geef U mijn aanbidding, Heer, ik geef U al mijn dank en eer.
U alleen wil ik aanbidden U alleen komt tot de dank en eer
(Opw. 481)

ds. E.G. de Kruijf