Wie de ogen goed de kost geeft op het plein tussen bibliotheek en Markthal, kan ineens deze tekst vinden aan de overkant van de Blaak bovenop een kantoorgebouw: ‘Alles van waarde is weerloos’. Het is een zin uit een gedicht van Lucebert. Hoewel ik het altijd een mooie zin heb gevonden, ontging de betekenis me lange tijd.

In zijn boekje ‘Meer geluk dan grijsheid’ geeft Jean Jacques Suurmond juist dit gedicht een belangrijke plaats in zijn verhaal. We behandelden het boekje bij gesprekskring Wijs en Grijs en probeerden te ontdekken welke boodschap Suurmond mee wilde geven.
Volgens Suurmond is oud worden niet alleen maar ellende en verlies. Al spring je niet meer uit je bed en is de tijd van ontplooiing voorbij, toch hoeft het zeker geen tijd van kommer en kwel te zijn. Juist ons idee van groei en controle acht Suurmond een manier waarmee we onszelf voor de gek houden. Is juist niet een van de zegeningen van ouder worden dat je eindelijk mag erkennen dat het leven niet te controleren valt?

Suurmond erkent wel dat het uitdagend kan zijn en als verlies aan kan voelen als je bij het ouder worden steeds meer in moet leveren.
Maar, hij probeert de lezer te laten zien dat het ook een kans biedt. Net als iedere levensfase, immers, kunnen we onszelf de vraag stellen: wat is in deze fase van mijn leven mijn roeping? Wanneer we in de puberteit komen, gaat de kindertijd langzaam voorbij en ontdekken we een nieuwe invulling en richting in ons leven. Datzelfde gebeurt steeds weer als we in een nieuwe fase terechtkomen. Net zo goed als we oud worden. We zijn in een nieuwe fase van ons leven terechtgekomen en het is alleen de vraag wat in die fase van ons leven onze roeping is.

Voor ons als gespreksgroep werd het hier echt lastig. Sowieso is het de vraag of we doorgaans zo over ons leven nadenken: wat is nu mijn roeping? Dat behouden we toch voor aan ouderling, diakenen en dominees? Ten tweede: hoe kun je van een roeping spreken, als je zelf zo weinig kunt? Maar, Suurmond vertelt nog verder.

Het gedicht van Lucebert gaat namelijk ook nog verder. Wij halen die ene regel eruit, maar de zin loopt nog verder: ‘Alles van waarde is weerloos, wordt van aanraakbaarheid rijk’. Juist dat tweede deel kan ouderen op een spoor zetten. Juist het aangeraakt worden maakt ouderen van waarde!

‘Van aanraakbaarheid rijk’ vertelt dat het oud worden vaak betekent dat je meer zorg nodig hebt, en letterlijk vaak aangeraakt moet worden om verzorging te ontvangen. Je bent kwetsbaar en hebt hulp nodig. Volgens Suurmond leert dat aan degene die de zorg geeft wat het betekent om compassie te hebben. Hoe belangrijk het is te zorgen voor diegene die kwetsbaar is. Dat naastenliefde een woord is dat niet alleen in preken moet klinken, maar we ook in de praktijk moeten brengen. De roeping van een oudere is dan: anderen leren wat van belang is in het leven.

In onze groep bleek het nog een lastige boodschap te zijn. ‘Zo slecht ben ik er nu ook weer niet aan toe, dat ik anderen moet leren hoe fijn het is voor mij te zorgen.’ Toch laat het mijzelf nog niet los. Het brengt me op het spoor dat het wellicht inderdaad onze valkuil is dat we alleen van betekenis zijn als we doen. Daartegenover staat dat we ook al betekenis hebben voor de ander door te zijn. We vertalen de naam van onze God ook niet met: ik doe wat ik doe, maar met: ik ben die ik ben. Werken en productief zijn geeft ons in Gods ogen niet onze waarde; dat we geschapen zijn door God en mens zijn, dat maakt ons waardevol. ‘Alles van waarde is weerloos’: misschien is het zo gek nog niet.

Ds. Ruben Schep