Jeremia leefde op de rand van de ondergang van Jeruzalem. Zelfs de Tempel zou verwoest worden en Juda zou weggevoerd worden naar Babel. Toch mag Jeremia een prachtige belofte uitspreken en profeteren over de triomf van Gods genade.

In Jeremia 31 lezen we ‘Zie de dagen komen dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten’(Jer. 31: 31). Het volk van God heeft gefaald in de relatie met de Heere, maar God gaat door. De ballingschap is echter niet het einde. Het woord Verbond is in de Bijbel geen verdrag, maar eerder een eed en een belofte. God zelf komt hen te hulp en schenkt tenslotte vergeving van alle zonden. Hij zal de Thora en de gehoorzaamheid hieraan in het hart van Zijn volk leggen. Inmiddels zijn jaren en eeuwen voorbij gegaan. Omdat God eerst wilde dat ook de heidenen deel zouden krijgen aan de gaven van dit verbond. Al tweeduizend jaar laat de Heere ons delen in de geestelijke goederen van Israël (Romeinen 15: 27).

Het Koninkrijk is nu meer nabij dan ooit! Jezus laat tijdens zijn leven op aarde zien dat je als mens daar alleen zal kunnen leven zonder zonden en met de Geest van God. Het Koninkrijk zal komen. Maar eerst zal God Juda en Israël thuisbrengen en hen schenken wat Hij in de dagen van Jeremia aan hen beloofde.

Bron Chr. voor Israël / Commissie Kerk en Israël